Van de voorzitter: huisvesting & gepersonaliseerd leren

27 januari 2016

Uit allerlei onderzoeken blijkt: een goed schoolgebouw is een belangrijke voorwaarde voor het welbevinden van leerlingen en voor het geven van goed onderwijs. Maar hoe staan onze gebouwen ervoor in vergelijking met andere scholen? Zijn onze gebouwen flexibel genoeg om te voldoen aan verschillende onderwijsvormen en leerdoelen? En waarom vind ik flexibiliteit belangrijk en gepersonaliseerd leren bij uitstek een huisvestingsthema?

De gebouwen van de Cedergroep variëren sterk wat betreft het bouwjaar. Het oudste gebouw staat in Amsterdam Zuid in de Brahmsstraat en stamt uit midden jaren twintig van de vorige eeuw. Ons nieuwste schoolgebouw staat in Vinkeveen en is in 1994 gebouwd. Met het oog op de kwaliteit van het gebouw van het HWC is nieuwbouw noodzakelijk. Het gebouw van de CSB, dat ouder is, maar nog wel beter functioneert en een monumentenstatus heeft, figureert regelmatig in televisieseries.

Hoe zit dit bij andere middelbare scholen?
Uit het EIB-onderzoek ‘Bouwen voor onderwijs’ blijkt dat de schoolgebouwen van middelbare scholen gemiddeld 38 jaar oud zijn en vaak niet voldoen aan de eisen van het moderne onderwijs. Denk bijvoorbeeld aan wensen op het gebied van ICT. Lokalen zijn vaak klein, er is nauwelijks ruimte voor (ICT-)voorzieningen en de luchtkwaliteit is regelmatig slecht. Ook is het slecht voor de portemonnee. Bij oude gebouwen nemen de exploitatiekosten, zoals de energiekosten toe. Huisvestingsuitdagingen komen bij de meeste schoolbesturen voor.

Verantwoordelijkheden
Niet zo gek, want in het huidige wettelijk kader zijn de gemeenten verantwoordelijk voor nieuwbouw. De scholen zijn echter zelf verantwoordelijk voor het onderhoud van de schoolgebouwen. Voor gemeenten kost het veel geld om nieuwe gebouwen neer te zetten. Het is overigens onduidelijk wie er financieel verantwoordelijk is voor grondige rennovatie. Er wordt over renovatie van een schoolgebouw dan ook vaak lang onderhandeld. Deels komt dit, omdat de verantwoordelijkheid voor de kosten niet helder vastgelegd is in het huidige wettelijk kader. Het proces voor nieuwbouw kan jaren in beslag nemen. Veel schoolleiders klagen inmiddels over de kwaliteit van de gebouwen en dus de kosten. De middelen van de overheid, de zogenaamde materiële bekostiging, zijn al jaren onvoldoende om het noodzakelijke onderhoud waarvoor scholen verantwoordelijk zijn te plegen. Bovendien willen scholen graag investeren in de gebouwen, bijvoorbeeld om deze energiezuiniger te maken en de luchtkwaliteit te verbeteren. Daarnaast is renovatie nodig om tegemoet te komen aan de eisen van het huidige onderwijs met flexibele werkvormen, gepersonaliseerd leren en digitale ondersteuning. Veel scholen en schoolbesturen, inclusief de VO-raad pleiten er daarom al jaren voor om de verantwoordelijkheid voor de huisvesting neer te leggen bij de schoolbesturen, zodat er één centrale regievoerder komt.

Ruimte voor gepersonaliseerd leren
Maar waarom zijn die ingrijpende aanpassingen aan de gebouwen en de regievoering nu essentieel? Om natuurlijk dat onderwijs van de toekomst snel vorm te geven. Hier moet echt ruimte voor zijn. Denk aan klaslokalen met flexibele omvang, die aansluiten bij gepersonaliseerd leren en passend onderwijs, waarbij leerlingen de ruimte hebben om te verdiepen of te verbreden. Het zou fijn zijn als een deel van de klas bijvoorbeeld tijdelijk als laptopomgeving kan dienen, terwijl de docent aan andere leerlingen instructie geeft. De mogelijkheden om te differentiëren en het gepersonaliseerd leren vorm te geven, vanuit aanpassingen aan het schoolgebouw zijn legio. Hoe flexibeler, hoe beter we ook kunnen inspelen op onderwijsthema’s van de toekomst. De wereld met tal van uitdagingen verandert steeds sneller, dat raakt natuurlijk ook de dynamiek van het onderwijs.

Hoe zit het nu precies bij Ceder?
Als bestuurder van de Cedergroep stuur ik allereerst op het op orde houden van de basiskwaliteit van de schoolgebouwen, met een goede prijs-kwaliteitverhouding. Dit betekent deugdelijke plannen maken, bijvoorbeeld het meerjarenonderhoudsplan. Hierin past: zorg dragen voor goede schoonmaak, dagelijks onderhoud én met elkaar ordentelijk omgaan met de faciliteiten van het gebouw. Per school wordt onderzocht in hoeverre de voorzieningen in de bestaande gebouwen aansluiten bij het, door de school gewenste onderwijs nu en in de toekomst. Soms zijn verbouwingen een eerste stap om ruimte te bieden aan nieuwe onderwijsontwikkelingen, bijvoorbeeld het open leercentrum op het VeenLanden College. De ultieme wens voor elke betrokkene is de mogelijkheid om een nieuwe school te bouwen. Het HWC krijgt deze kans. Naast de nieuwbouw van het HWC werken we de komende jaren per school verder aan de noodzakelijk verbouwingen om het gewenste onderwijs te bieden én een bijdrage te leveren aan de duurzaamheid van de gebouwen en het verlagen van de energielasten. Voor mij als bestuurder betekent dit veel overleg met de wethouders in de verschillende gemeentes, samen met de rectoren. Doordecentralisatie van de huisvesting staat overigens niet hoog op mijn beleidsagenda, omdat een aantal risico’s lastig te beheersen zijn en bijvoorbeeld de gemeente Amsterdam bereid is tot noodzakelijke investeringen in gebouwen. In een krimpregio, zoals De Ronde Venen is ook weinig bestuurlijk belang bij doordecentralisatie. Veel beter is de samenwerking goed voorzetten, zoals nu ook in al onze gemeenten gebeurt.